KAAS VAN DE BOVENSTE PLANK - OVER INCLUSIE

Het stukje kaas wat ik in mijn boodschappentas wil leggen is letterlijk kaas van de bovenste plank. Terwijl ik me voorbereid om behoedzaam recht te staan uit mijn scootmobiel en naar de kaas uit te reiken, hoor ik achter mij plots een stem: 

-  "Mijnheer, zal ik u even helpen?" Ik glimlach naar de mevrouw en zeg:

- "Dat is lief mevrouw, maar het lukt wel". 

- "Bent u zeker mijnheer?" 

- "Ja, ja", zeg ik. "Alles oké."

- "Oké dan laat ik u maar.", zegt de dame op lichtjes verongelijkte toon. 

Dit is niet de eerste keer dat ik merk dat mensen ongemakkelijk worden wanneer ik hun hulp afwijs. 

Sinds enkele jaren leef ik met  een mobiliteitsbeperking. Als gevolg van een chronische ziekte gaat wandelen zonder steun me moeilijk af. Met een rollator lukt het nog wel. Voor boodschappen in de buurt maak ik sinds een jaar gebruik van een kleine scootmobiel. Best duur speelgoed maar handig voor mijn zelfstandigheid.

 

Ik heb vroeger nooit stilgestaan bij hoe het zou zijn om je met rolstoel of scooter door de stad te begeven. De meeste mensen zonder beperking vragen zich dat niet af. Waarom zouden ze? 

Maar België is onder andere gekend om haar slechte wegdek. Overal.  Ook fiets- en voetpaden zijn in mijn buurt in erbarmelijke toestand.  Tijdens een van mijn eerste ritjes met de scootmobiel ben ik zowaar omgekanteld, uitgerekend aan de ingang van het ziekenhuis dan nog! Bij de apotheker, bakker of beenhouwer geraak ik niet binnen omdat er een drempel moet worden genomen. En dan heb ik het enkel nog maar over praktische infrastructuur. Maar het probleem met inclusie gaat uiteraard veel dieper. 


Met gespitste oren luisterde ik in december dan ook naar de uitzending van De Wereld Van Sofie op VRT Radio 1. Het thema was namelijk inclusie. Zo waren er bijzonder interessante tussenkomsten van Nina Boddin (beleidsmedewerker van VZW GRIP),  Beno Schraepen (coördinator van het kenniscentrum Mens en Maatschappij van de AP Hogeschool) en Ignaas Devisch (professor in filosofie, medische filosofie en ethiek).


Nina Boddin wees ons eerst op enkele cijfers: België doet het op gebied van inclusie erg slecht. Wat arbeid betreft bengelen we zelfs helemaal onderaan de Europese statistieken. In een politiek klimaat waar de regering De Wever de activeringsgraad wil verhogen van 72%, naar ongeveer 80% is dit op zijn minst merkwaardig. Het is als persoon met beperking vaak zo moeilijk om tegen talloze vooroordelen en benauwdheden van werkgevers op te boksen, dat er niet enkel sprake is van discriminatie maar ook van segregatie. Wat kan men doen? 

Werkgevers beter stimuleren om mensen met beperking aan te werven, deze mensen beter begeleiden en wapenen tegen praktische problemen maar ook tegen discriminatie op de werkvloer. Voorts investeren in meer en beter maatwerk. Het zijn slechts enkele maatregelen. Met de huidige 45% werkende mensen met handicap in België gaan we er voorlopig niet geraken.  

*     *     *     *

Beno Schraepen schetste dan weer een beknopt historisch overzicht. Bij de Oude Grieken was de samenleving in de stadstaten heel inclusief: mensen met een beperking konden evengoed een hoog ambt of politieke functie bekleden of gewaardeerd filosoof zijn. Kanttekening hierbij is dat de Oudgriekse democratie natuurlijk niet was wat we er vandaag onder verstaan. In vergelijking met deze inclusie was bijvoorbeeld het maatschappelijk verschil tussen man en vrouw veel groter. Ook slavernij behoorde toen tot een normaal onderdeel van de economie. 

Zoals wel eens vaker het geval,  liep het pas echt fout met de komst van het christendom. Na de val van het West Romeinse rijk en de opkomst van het vroege christendom in onze streken, veranderde ook de omgang met mensen met een beperking.  Je had wel het begrip 'caritas', de onbaatzuchtige liefde voor de (christen) medemens maar tegelijkertijd werd een beperking ook geassocieerd met de goddelijke straf, de schuld en boete, zeg maar. Zo konden bijvoorbeeld dove mensen Gods woord niet horen. 

In de middeleeuwen komen de steden op. Die zijn steeds meer ommuurd. De velden bewerken buiten die omwalling kon enkel met een fit lichaam. Personen met beperking kwamen de stadsmuren steeds minder uit en werden opgesloten in tehuizen of kloosters. Meestal waren ze afhankelijk va de christelijke liefdadigheid, waar de gekende betutteling haar oorsprong vond. 

Ook in de Nieuwe Tijd (ca. 1450 tot 1789) werden deze mensen gesegregeerd en verzorgd in aparte instellingen. Met de komst van de Verlichting en de wetenschappelijke revolutie volgde in de 19e eeuw een academisch en pedagogisch optimisme. Men geloofde sterk in behandelbaarheid van de handicap, de maakbaarheid van de mens. Zo zie je steeds meer scholen voor blinde en dove mensen verschijnen. Tegelijk wordt alles sterk gemedicaliseerd en krijg je nieuwe vormen van instellingen, "gestichten".

Gedurende de 19e eeuw ontwikkelt de wetenschap zich snel: biologie, chemie, darwinisme en het begin van genetica. Al deze wetenschappen geraken mede door een crisisklimaat in Europa vermengd met politieke ideologie. En zo ontstaan in de tweede helft van de 19e eeuw al kiemen voor rassentheorieën zoals sociaal darwinisme wat uiteindelijk zal uitmonden in de radicale ideologie van de nazi's en de holocaust. Veel mensen met een beperking eindigden als zogenaamde untermenschen in concentratiekampen, en werden daarbij vaak blootgesteld aan gruwelijke experimenten.  

Na 1945 werden in Europa de welvaartsstaten opgebouwd. Maar het verleden leeft nog sterk in ons sociocultureel DNA. Na de oorlog keren veel concepten uit de Verlichting terug. Men gaat enerzijds over op een wetenschappelijk behandelmodel voor mensen met een beperking en anderzijds het bieden van gepaste zorg, waarbij deze mensen opnieuw buiten de samenleving worden geplaatst. 

*     *     *     * 

Professor Devisch benadrukt het gevoel van ongemak wat bij veel mensen leeft. Dat komt deels voort uit angst. Hoe moeten we omgaan met mensen met een beperking? Die angst en dat ongemak maken het logisch om deze mensen op afstand te houden. En zo komen we uit bij segregatie. En dat leidt vaak ook tot paternalisme en zelfs machtsvertoon. 

Daarbovenop slaagt de samenleving er niet in om voldoende creatief om te gaan met inclusiviteit. In de eerste plaats moet er naar mensen geluisterd worden om te horen wat zij eigenlijk zelf willen en waar zij zich goed bij voelen. En dit net zo goed op het werk als bij het openhouden van een deur. 

Tot slot zal ook zichtbaarheid in de media en de openbare ruimte van mensen met een beperking het proces van inclusie versnellen. Zichtbaarheid dan niet zoals in een 19e-eeuws rariteitenkabinet, maar als normale mensen die er toevallig een beetje anders uit zien. 

In plaats daarvan zitten we vandaag nog steeds met paternalisme, betutteling en segregatie. Dat mag in 2026 echt stoppen. 

 

Nog niet zo lang geleden verplaatste ik me ook in een rolstoel. Samen met mijn gezinshulp bezocht ik een winkel in huishoudelektronica. Ik herinner me niet meer precies welk (nutteloos?) apparaat ik nu wilde gaan consumeren. Niet zo belangrijk. Wel belangrijk is dat ik diegene was die de rekening zou betalen. Toch deed de verkoper zijn praatje steevast tegen mijn gezinshulp, waarbij ik in mijn rolstoel volledig werd genegeerd. Toegegeven, mijn gezinshulp is best een mooie dame. Maar de manier waarop ik letterlijk over het hoofd werd gezien door de man was erg beledigend. Tot mijn gezinshulp tegen de verkoper zei: "het is wel mijnheer die gaat betalen, dus u mag het ook aan hem uitleggen". Daar kreeg de verkoper toch eventjes rode kaakjes van. 

 

Zoals met veel maatschappelijke fenomenen gaat de evolutie traag. We moeten ons immers lostrekken uit onze geschiedenis voor er iets verandert. Maar er moet (vaak ook letterlijk) nog veel aan de weg worden getimmerd.

 

Mijn opvouwbaar mini scootertje
Enkele dagen nadat ik in die supermarkt die kaas van de bovenste plank wilde pakken, stond ik aan de ingang van de praktijk fysiotherapie. De buitendeur opendoen vanop je scootmobiel vergt enige behendigheid: 1) klink vasthouden, 2) met één hand behoedzaam en traag achteruit rijden terwijl je met de andere hand de deur open houdt, 3) met één hand opnieuw vooruit rijden. Maar oefening baart kunst: ik beheers het hele manoeuvre ondertussen behoorlijk goed.  Dat ik dit zelfstandig kan, heb ik al vaak aan hulp biedende voorbijgangers moeten uitleggen.

 

Op zekere dag verschijnt er aan de ingang van de praktijk tegelijk met mij een vrolijk  jong meisje, ik schat zo'n 15 jaar?  Ze heeft net hetzelfde type scooter als ik. Dat schept al een band. Ze moet ook naar binnen. We weten niet wie eerst aan wie hulp moet aanbieden. "Dan doen we het samen, we helpen elkaar" lachen we. 

En dat voelt heel anders. Want op dat moment zijn we gelijkwaardige partners in crime.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten