“ – Denk aan je eigen veiligheid! Ga tegen de muur staan! Tegen de muur!” gilt Shirin met schelle stem. Het is de totale chaos. Massagevecht. Van de ene seconde op de andere. Ik zag niet precies wat de aanleiding was. Het ene moment zaten we nog aan het begin van de zelfbediening terwijl de rij hongerige centrumbewoners rustig voorbij schoof. Ik zag nog net ruzie ontstaan tussen twee mannen waarbij de ene de andere met een dienblad sloeg. Het volgende moment zie ik plots zestig volwassen mannen met elkaar vechten. Ik wil mijn werk zo graag goed doen maar hier ben ik niet op voorbereid. Fight-flight-freeze. Het wordt freeze. Tegen de muur dan maar. Doen wat de ervaren collega zegt.
Terwijl ik tegen de muur geplakt sta, probeer ik te bevatten wat er gebeurt en wat ik moet doen. De scene die zich voor mijn ogen afspeelt doet me nog het meest denken aan de strips van Asterix waarbij het hele Gallische dorpje tegelijkertijd met elkaar begint te knokken. Alleen slaat men hier elkaar niet met vissen om de oren maar met stoelen, tafels en dienbladen. Alles wat los is wordt als wapen gebruikt.
Dan stormt Davy binnen. Klein maar dapper. Hij heeft vroeger nog gebokst. Als een mini-Obelix stort hij zich midden in het gevecht. Maar hij doet dat om doelgericht enkele slachtoffers uit de massa te sleuren. Later vertelt hij dat enkele kleine Afghanen slaag kregen van meerdere zwaargebouwde Irakezen. Afghanen en Irakezen, het gaat niet goed samen. Dit is de eerste keer dat het probleem duidelijk wordt. Deze kwestie zal nog vaker terugkomen.
Ik weet niet hoe lang ik al tegen de muur sta, maar bang ben ik niet. Ik wil helpen. Maar wat moet ik doen? Ik ben opgelucht als ik de politie zie binnenkomen. Nu kan ik van nut zijn. Ik vertel een agent kort wat ik gezien heb. Ik ben nog niet uitgepraat wanneer onze directeur binnenstormt. Moeizaam zwaaiend met zijn wandelstok knauwt hij bits “evacueren! De boel evacueren!” Ik schrik wakker en weet terug wat te doen. Ik loop naar het achterste deel van de refter. Tot mijn verbazing zitten daar nog gezinnen en alleenstaanden doodgemoedereerd te eten, alsof er niets gebeurt. Ik open alle nooddeuren en spoor de mensen aan om meteen de ruimte te verlaten.
Wanneer ik kort daarop zelf ook buiten ben, zie ik dat het gevecht op het grasveld gewoon verdergaat. Het is nu geen kluwen meer maar een uitgewaaierde knokpartij. Her en der zijn er opstootjes en groepjes die elkaar blijven uitdagen. Daarrond staan een hoop toeschouwers te kijken. Politie zie ik echter nergens meer.
Ik sluit me dan maar aan bij enkele collega’s die proberen de boel onder controle te krijgen. Ik neem geen leiding, ik volg. Wat is het plan? Er is er geen. Plots gonst het gerucht dat we zo snel mogelijk alle bewoners naar hun kamers moeten zien te krijgen. Ik heb nog nooit een kudde vee gedreven maar ik stel me voor hoe ik zoiets zou doen: ik maak me zo groot mogelijk, strek mijn armen wijd en praat met zo veel mogelijk autoriteit op de toeschouwers in: “ – Please go to your rooms, to the rooms, now!” Ik maakt weinig indruk. Ik werk hier nog maar twee dagen en draag geen herkenbare tekens als assistent. Velen denken “wie is die kerel?” en halen onverschillig hun schouders op.
Enkele Irakezen beginnen nu tegen mijn collega over “die verdomde soennieten. Ze beledigen ons en het is altijd wat met ze.” “ – No, let’s not start about religion now” blokt mijn collega kordaat af. Levensbeschouwelijke discussies. Het laatste wat we nu nodig hebben. Ondertussen slaag ik er toch in wat mensen te overtuigen om naar binnen te gaan.
Voor blok vier ontmoet ik hem voor het eerst. Een netjes geklede oudere man met een getaand gezicht staat met fijn geknepen ogen te glimlachen. “ – Sir, I must ask you to go to you room.” “ – Ya gharib, kun adib.” zegt hij. “You know, an Arab proverb. ‘Stranger be polite’ it means.”
Hij glimlacht opnieuw.
“ – Those people” wijst hij “very impolite. They should behave as guests here.”
“ – Yes I understand, but I really have to ask you to go inside now” antwoord ik met lichtjes gestresseerde stem.
“ – Ok, I understand”, zegt hij rustig. “My name is Hassan. Hassan Al-Lateef. We will talk later.”
Net wanneer de rust is weergekeerd is de politie er opnieuw. Waar waren ze toch in hemelsnaam toen we ze nodig hadden?
De volgende dag tijdens de debriefing zal blijken dat de politie ‘strategisch’ het terrein te vroeg verliet om niet verder te provoceren. De acht politiewagens bevonden zich allemaal net uit het zicht op de parking. Wij, personeel voelden ons erg in de steek gelaten om zonder hun hulp de massa te bedaren.
De rest van de namiddag wordt er lang nagepraat. Iedereen moet vertellen en herhalen wat hij of zij meemaakte. Ik ook. Thuis weet ik ‘s avonds ook wat te vertellen. Ik hoop niet dat elke dag zo intens zal zijn. Op naar de vierde werkdag.












.jpg)

