maandag 1 september 2014

NOWHERE MAN

Aantal woorden: 2951 / geschatte leestijd: 10 min

Mensen die het opzet van deze blog wat kennen, weten dat ik mezelf van tijd tot tijd graag oefen in nieuwe vaardigheden. Zo gaf ik mezelf de voorbije week de opdracht een Engels krantenartikel fatsoenlijk te vertalen. Na alle vorige dure blogberichten over maatschappij, politiek en de staat van de wereld, is het even tijd voor een licht verteerbare portie cultuurgeschiedenis. We zoomen deze keer in op een specifiek stukje pophistorie. 

LIFESTYLE UIT DE OUDE DOOS



John Lennons huis in Weybridge
Op 3 april 1966 bracht de Britse journaliste Maureen Cleave van The Evening Standard een dagje door bij John Lennon, eerst bij hem thuis in Weybridge en daarna ook tijdens een uitstapje naar Londen. In de annalen van de popgeschiedenis kreeg dit op zich niet zo spectaculaire lifestyle-interview vooral bekendheid omwille van het feit dat Lennon die dag zijn beroemde Jezusuitspraak deed.

 

 

 ...AND THE REST IS (SAD) HISTORY

 

Enkele maanden later, tijdens de zomertournee van de band door de VS leidde die uitspraak in The Bible Belt van Amerika tot problemen. De Ku Klux Klan organiseerde heuse platenverbrandingen en tijdens een show in Memphis waren de zenuwen dusdanig gespannen dat een hevige vuurwerkknal de arme Fab Four op het podium in ware doodsangst in elkaar deed krimpen. De stress van die turbulente tournee droeg ongetwijfeld bij tot de beslissing die de band nam: nooit meer toeren! Jammer genoeg was de geest uit de fles. Ruim veertien jaar later zorgde Lennons uitspraak voor het dramatisch vervolg: in het zieke hoofd van Beatlesfan Mark David Chapman wisselden haat en idolatrie elkaar af. Toen de haat het weer eens won, wilde Chapman Lennons uitspraak wreken. Niemand kon immers ongestraft populairder dan Jezus zijn, ook niet in New York in 1980.

'BEROEMD EN BEMIDDELD'

Naast deze overbekende feiten biedt dit artikel ook een ander interessant perspectief. Vandaag herinnert de wereld zich John Lennon eerder als de working class hero, de selfmade intellectueel met een visie. Iemand die filosoferend op zoek was: naar zichzelf, naar de wereld, naar God (en weer terug), naar vrede, naar liefde. Hoe groot is echter het contrast met de John die we hier ontmoeten. In het najaar van 1965 schreef hij de autobiografische song Nowhere Man. Een half jaar later maken we kennis met een lichtjes arrogante, steenrijke en verwende popster die, zoals het dan steeds gaat, gevangen zit in zijn eigen geïsoleerde leventje. En ondanks (of juist omwille van?) zijn rijkdom verveelt hij zich stierlijk. Hij wacht. Op zingeving. Invulling. Betekenis. Laat het een troost zijn dat hij ondanks zijn korte leven toch veel van die kostbare zaken op zijn pad is tegengekomen.

 

HOE LEEFT EEN BEATLE? ZO LEEFT JOHN LENNON


(door Maureen Cleave, Evening Standard, 3 april 1966)

Ergens op een heuvel in Surrey woont een rijke, beroemde jonge man. Hij wacht op iets...

Het is nu drie jaar geleden dat de Beatles definitief doorbraken en wereldberoemd werden. Sinds die tijd vragen journalisten en critici zich onophoudelijk af of de groep over haar hoogtepunt heen is en zoeken ze ononderbroken naar de nieuwe Beatles. Wellicht even zinloos als op zoek gaan naar de nieuwe Big Ben?

Vandaag moeten ze die pogingen immers staken: de roem van de Beatles staat namelijk onomwonden vast. Het doet er echt niet meer toe of ze grofgebekt of beleefd, getrouwd of vrijgezel, 25 of 45 zijn, in Top of the Pops verschijnen of niet. De Beatles staan onbetwist aan de top. Een poleposition waar zelfs een Rolling Stone vandaag enkel van kan dromen. Hun roem is net zo vanzelfsprekend als die van koningin Elisabeth. Als John Lennons Rolls Royce met haar zwarte velgen en zwart getinte ruiten voorbijrijdt, zeggen voorbijgangers ofwel 'Kijk, de Queen', ofwel 'Kijk, de Beatles'. Beiden genieten ze van een beschermd leventje aan de top van het establishment. Beiden verdienen ze het respect van hun publiek; de koningin in Buckingham Palace, de Beatles in de chique omgeving van Weybridge in Esher. Paul is de enige die nog in Londen woont.

De drie andere Beatles zijn getrouwd en wonen in Esher te midden van bosrijke heuvels en beursmakelaars. Ze hebben niet meer gewerkt sinds Kerstmis en leiden een afgezonderd en tijdloos bestaan. “Welke dag is het vandaag?” vraagt John Lennon geïnteresseerd aan de telefoon. Aan de poorten van hun huizen staan onafgebroken fans te wachten maar de Beatles hebben enkel contact met elkaar. Hun vriendschap is dan ook sterker dan ooit.

Ringo en zijn vrouw Maureen springen geregend bij John en Cynthia binnen; George en Pattie springen geregeld bij John en Cynthia binnen. Of ze besluiten plots om met z'n allen naar Ringo te gaan. Met de auto uiteraard. Een celebrity wandelt enkel bewust voor de sport.

Samen kijken ze dan naar films, spelen ze gezelschapsspelletjes of kijken ze tv tot het einde van de uitzendingen. Tegelijkertijd draaien ze platen. Ze maken samen lol tot in de late uurtjes door samen maffe tapes op te nemen. Vaste uren voor bed- of etenstijd bestaan niet. “Vroeger bestond er ook geen leven buiten Beatle zijn, dus feitelijk kennen we niets anders” zegt John.

Ondanks alle succes is hij nog steeds dezelfde. Door zijn bijziendheid kijkt hij nog steeds arrogant vanuit de hoogte op je neer met die gekende arendsblik hoewel nu met iets minder toegeknepen ogen als vroeger omdat hij tegenwoordig contactlenzen draagt. Nu zijn gezicht wat voller is, lijkt hij meer dan ooit op Henry VIII. En gedraagt hij zich even heerszuchtig, onvoorspelbaar, vadsig, ongeorganiseerd, kinderlijk en vaag maar tegelijk ook charmant en gevat. Hij is gemakkelijk in de omgang maar soms ook behoorlijk taai. “Je hebt me nooit iets over Fred Lennon gevraagd”, zegt hij ontgoocheld. (Fred is zijn vader die plots op de proppen kwam nadat John beroemd werd.) “Hij was hier enkele weken geleden. Het was pas de tweede keer dat ik hem ontmoette – ik heb hem de deur gewezen”. “Hem wilde ik echt niet in huis” vervolgt hij opgewekt.

Hij is onverminderd enthousiast en staat er op dat we zijn geestdrift delen. George bracht hem in aanraking met Indische muziek. Na twintig minuten sitarmuziek roept hij me plots toe: “je bent niet echt aan het luisteren, he? Het is nochtans ongelofelijk hoe cool dit is! Vind je Indiërs dan niet cool? Luister eens goed! Deze muziek is duizenden jaren oud, man, ik moet gewoon lachen, dat de Engelsen naar ginder gaan en die Indiërs dan een beetje gaan vertellen wat ze moeten doen. Echt ongelofelijk”. Waarna hij plotsklaps de tv aanzet.

De ervaringen die hij tijdens voorbije jaren als beroemdheid opdeed, zorgen ook voor toenemende twijfel. Hij is breeddenkend maar sluit zich mentaal op in eender wat hem op dat moment bezig houdt. “Het christendom zal ophouden met te bestaan”, zo zegt hij, “het zal langzaam verschrompelen om vervolgens te verdwijnen. Ik denk niet dat dit ter discussie staat; ik heb het gewoon bij het rechte eind en de tijd zal mij gelijk geven. Wij zijn op dit moment populairder dan Jezus; ik weet echt niet wat het eerst zal verdwijnen – rock 'n roll of het christendom. Jezus was best oké maar zijn discipelen waren domme onnozelaars. Zij hebben de boel voor mij echt verknoeid.” Hij leest momenteel veel over religie.

Als hij gaat winkelen bij Asprey's lijkt het wel een razzia. Hij bestookt de winkel als een razende bliksemschicht. Hij heeft een niet onaardige wijnkelder. Maar ondanks alle weelde blijft hij redelijk zichzelf. Hij is namelijk veel te lui om de schijn op te houden, zelfs al zou hij uitgezocht hebben welke soort schijn hij waar precies zou moeten ophouden (wat hij niet heeft gedaan).

Hij is nu 25. Hij woont samen met zijn vrouw Cynthia en hun zoon Julian in een groot huis in typische mock Tudor-stijl vol zware muurpanelen en wollige tapijten. Hij heeft een kat, Mimi, genoemd naar zijn tante en hij dineert in een paarse eetkamer. Julian is nu drie. Binnen enige tijd zal hij naar het Lyceum in Londen gaan. “Dat lijkt echt de beste school voor iemand in zijn positie”, zegt John terwijl hij zonder veel passie Julian in het oog houdt. “Ik vind het anderzijds ook best erg voor hem. Toen ikzelf vijf was, kon ik lelijke mensen niet verdagen. Veel van die rijke buitenlanders daar zijn echte lelijkaards, niet?”

Julian, John en knuffels
Ik krijg een snelle rondleiding door het huis. Julian loop ons hijgend achterna met in zijn armpjes een grote porseleinen Siamese kat. John dwaalt langs alle spullen die hem ondertussen niet meer boeien. “Dit is Sidney” zegt hij bij een oud harnas. “En hier, dit was een week lang een hobby van me” terwijl we in een kamer vol modelbouw raceautootjes staan. “Dit mag ik van Cyn niet wegdoen” zegt hij naast een fruitautomaat gokkast. In de woonkamer staan acht kleine groene doosjes met daarin knipperende rode lichtjes: ze blijven gegarandeerd knipperen tot de volgende kerst! Hij kocht ze als kerstcadeautjes maar ze geraakten nooit uitgedeeld. In mijn verbeelding zie ik hem aanstaande kerst zitten, omringd door de kleine knipperende doosjes.

Hij staat even stil bij de dingen die hij wel leuk vind: een grote Rooms-katholieke crucifix met de inscriptie 'IHS', een stel barkrukken, een geschenkje van George, een gigantische Bijbel die hij ergens in Chester kocht en een gorillapak.

“Ik dacht dat ik wel een gorillapak kon gebruiken” zegt hij een beetje triest. “Ik heb het slechts twee keer gedragen. Ik dacht dat het wel leuk zou zijn om het op een mooie zomerdag aan te trekken en dan een rondje in de Ferrari te maken. We zouden dat met z'n allen doen, maar uiteindelijk was ik de enige die ook echt zo'n pak kocht. Ik zat zo te denken, als ik de kop niet op zou zetten, zou het best nog een leuke jas-met-poten kunnen zijn. Ik heb altijd al wel een bontjas willen hebben, maar ik was er nog nooit eentje tegengekomen”.

Je krijgt het gevoel dat al zijn bezittingen – waarvan hij er zich nog elke dag meer aanschaft – zijn leven domineren: al die bandopnemers, de vijf televisietoestellen, de auto's, de telefoons waarvan hij niet weet hoe ze werken. Als hij maar in de buurt van een schakelaar komt, springt er een zekering. Zes van de groene doosjes met rode knipperlichtjes – die gegarandeerd tot de volgende kerst blijven knipperen! – zijn al stuk. Zijn autopark, de Rolls Royce, de Mini Cooper met de zwarte wielen en de zwart getinte ruiten en de zwarte Ferrari zijn voor hem een mysterie. En dan is er nog het zwembad, waarachter de bomen veel te schuin afhellen. “Helemaal niet zoals ik het gevraagd had”, zegt hij ontgoocheld. Eigenlijk wilde hij dat de bodem van het zwembad een spiegel zou zijn. “Het is een wonderlijk huishouden hier”, zo zegt hij “geen enkele van al mijn gadgets werkt eigenlijk naar behoren, behalve dan het gorillapak. Het enige pak wat me werkelijk past.”

Hij is erg gesteld op boeken, en is steeds op zoek naar interessante lectuur. Hij koopt boeken aan de lopende meter die hij in een speciale kamer bewaart. Hij heeft werk van Swift, Tennyson, Huxley, Orwell, dure in leder gebonden edities van Tolstoi en Oscar Wilde. Verder staan in zijn bibliotheek ook Little Women van Alcott, alle boeken van Charles Williams (uit zijn kindertijd) en enkele onverwachte werken zoals Fourty-One Years in India van Lord Roberts en Curiosities of Natural History van Francis T. Buckland. Dit laatste werk met curieuze hoofdstukken als 'Katten zonder oren', 'Mensen met houten benen' of 'De onsterfelijke moeder van Harvey', is helemaal zijn ding.

Hij verkent de literatuur vanuit een kinderlijke interesse die niet wordt gehinderd door al te veel formele kennis. “Ik heb miljoenen boeken gelezen” zegt hij “en daarom blijk ik wel een en ander te weten.” Hij is geobsedeerd door de Kelten. “Ik heb besloten dat ik een Kelt ben” zegt hij “ ik sta aan de kant van Boudicca – bloedige blondines met blauwe ogen die mensen in stukken hakken. Ik heb een ongelofelijk verlangen daar bij te zijn. Niet letterlijk natuurlijk, maar door de inleving in die verhalen. Meer dan een korte paragraaf over hoe het leven toen was krijg je in die boeken niet, maar de rest verbeeld ik me dan.”

Hij kan onbeperkt uitslapen en is waarschijnlijk de meest luie mens in heel Engeland. “Fysiek lui”, zegt hij. “Ik zit er niets mee in om te lezen, te schrijven, te kijken of te praten, maar seks is eigenlijk de enige fysieke activiteit waar ik nog wat voor te vinden ben.” Soms wordt hij in zijn Rolls naar Londen gevoerd door Anthony, een ex-poortwachter afkomstig uit Wales. Hij is gefascineerd door de snor van Anthtony.

De dag van mijn bezoek was hij uitgenodigd om in Londen te gaan lunchen en daar deed hij nogal opgewonden over. “Weet jij hoelang zo'n lunch duurt?” vroeg hij. “Ik heb nog nooit geluncht. Een paar dagen geleden was ik in de Lyons club en daar bestelde ik eieren met friet en een kop thee. Ondertussen zaten de obers maar naar mij te staren en zeiden ze steeds 'nee, hij is het niet, of wel?'.”

Links: John met 'Sydney'. Rechts: John, Julian en de Rolls
Hij installeert zich in de auto en demonstreert de tv, het opklapbed, de ijskast, het bureau en de telefoon. Aan die telefoon heeft hij al veel uren vruchteloos zitten prutsen. “Eén keer kreeg ik iemand aan de lijn” zo zegt hij “die me vertelde dat de rest niet thuis was.”

Anthony was net een weekendje in Wales geweest. De autotelefoon moest ook worden nagekeken. Ze moesten de dokter bellen omdat John enkele stekels van een zee-egel in zijn voet had. “Ik wil niet eindigen zoals Dorothy Dandrige” zegt hij “die 50 jaar later sterft aan de gevolgen van een splinter”. Maar hij stelt ons gerust, hij heeft de voet in kwestie zorgvuldig gewassen.

Gehuld in exclusieve kleren van de laatste mode slingeren we in de Rolls gezwind door het platteland. “Beroemd en bemiddeld”, zo omschrijft hij zichzelf. “Men zegt mij dat ik er warmpjes in zit, maar dan denk ik soms toch dat ik op mijn veertig alles zal hebben opgemaakt, dus blijf ik maar verder doen. Daarom ben ik ook op een bepaald moment trouwens ook mijn auto's beginnen te verkopen: daarna veranderde ik echter weer van idee en heb ik ze allemaal opnieuw gekocht en zelfs ook nog een nieuwe erbij.”

“Ik wil enkel geld hebben om rijk te zijn. De enige andere manier om rijk te worden is rijk geboren worden. Als je geld hebt, heb je macht zonder dat je daarom meteen die macht hoeft uit te oefenen. Soms denk ik ook dat het allemaal één grote samenzwering is en dat de regering en de rijke mensen zoals ik de winnaars zijn. Dat gezegde over de werkende klasse die onwetend en arm moet worden gehouden is nog steeds waar, dat is wat de Tories en de grondbezitters nog steeds doen; aan de andere kant is er dan Labour die de arbeiders onderwijs wil geven maar daar schijnen ze zich nu niet echt meer mee bezig te houden.”

Hij is ook doodsbenauwd voor domme mensen. “Ondanks dat ik nu beroemd en bemiddeld ben, kom ik vaak ook heel gewone, maar gevoelige mensen tegen. Soms denk ik dat ik niet echt rijk ben. Maar wie zijn dan wel die echt rijke mensen, en waar zitten ze?”

Beroemd zijn vind hij niet lastig. Dit sterkt het vermoeden dat de Beatles uiteindelijk nooit iets anders gewild hebben dan beroemd worden. “Iedereen denkt van zichzelf dat ze beroemd hadden kunnen worden als ze maar genoeg kansen en geluk hadden gekregen en zo. Maar als het dan toch gebeurt, is het eerder iets natuurlijks. Denk aan je oude grootmoedertje die dingen zei als 'met zo'n stem wordt je wereldberoemd'”. Niet dat hij zelf een oud grootmoedertje had, zo voegt hij er snel aan toe.

Hij is twee uur en drie kwartier te vroeg bij de dokter en net op tijd voor zijn lunch, maar helaas wel op de verkeerde plek. Hij koopt een grote doos met een collectie gezelschapsspelletjes in Asprey's. Na het openen krijgt hij niet alle spelletjes terug in de doos. Hij vraagt zich af wat hij nog meer zou kunnen kopen. Hij gaat naar het kantoor van Brian Epstein en vraagt gretig of er nog nieuwe cadeaus van de fans zijn aangekomen. Niets zo leuk als dingen voor niets krijgen, zegt hij. Hij past een brilletje uit de de verleidelijke collectie van Miss Hanson.

En dan is er plots het gerucht dat er een Beatle is gesignaleerd in Oxford Street! Hij klaart op: “een van de anderen moet buiten zijn”, zegt hij alsof hij het over een ontsnapte beer heeft. “We laten ze maar één per één naar buiten hoor” zegt de verleidelijke Miss Hanson kordaat lachend.

Hij zegt dat je moet leven en lachen, maar volstaat dat voor een rusteloze ziel als hij?

“Weybridge” zegt hij “is voor mij niet voldoende. Het is voor mij maar een tijdelijke halte, zoals je even van de bus afstapt. Er wonen bankiers en beursmakelaars die echt denken dat het hun eindbestemming is. Maar ik denk elke dag na, over mijzelf in mijn Hansje-en-Grietje-huis. Maar ik neem mijn tijd. Ooit vind ik mijn echte huis wel, als ik weet wat ik wil.”

“Weet je, ik ga iets anders doen, er is iets nieuws wat ik moet doen, alleen weet ik niet precies wat dat is. Daarom blijf ik ondertussen maar wat schilderen, een beetje muziek opnemen en wat schrijven omdat dat misschien wel dingen zijn die ik moet doen. Al wat ik weet is dat dit leventje eigenlijk niets voor mij is.”

Anthony slaagt er in om John met de hele collectie gezelschapsspelletjes in de auto te schikken en rijdt hem terug naar huis. Terwijl in de rustgevende duisternis achter in de Rolls de televisie zachtjes flikkert, haasten de Londenaars zich buiten ondertussen van hun werk naar huis.

Bron: www.beatlesinterviews.org van de originele uitgave van de Evening Standard. Vertaling: Sebastiaan Bouckaert.





1 opmerking: